Appellant was sinds 2001 werkzaam bij de Belastingdienst en meldde zich in augustus 2016 ziek vanwege burn-out klachten. Ondanks uitnodigingen en dienstopdrachten om gesprekken te voeren over zijn re-integratie, verscheen appellant herhaaldelijk niet en was hij niet telefonisch bereikbaar. De bedrijfsarts stelde dat appellant medisch in staat was om gesprekken te voeren.
De staatssecretaris verklaarde de bezoldiging van appellant vervallen en legde hem uiteindelijk een disciplinaire straf van ontslag op wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het niet opvolgen van adviezen en het niet meewerken aan re-integratie. Appellant voerde aan dat hij geen deugdelijke grond had om aan de dienstopdrachten te voldoen, omdat er geen expertiseonderzoek was uitgevoerd, maar dit werd door de Raad verworpen.
De rechtbank vernietigde het ontslagbesluit deels, maar de Centrale Raad van Beroep herstelde dit oordeel en verklaarde het beroep tegen het ontslagbesluit ongegrond. Het verzoek van appellant tot vergoeding van immateriële schade werd afgewezen. De Raad oordeelde dat het ontslag in verhouding stond tot de aard en ernst van het plichtsverzuim en dat appellant voldoende was gewaarschuwd.