ECLI:NL:CRVB:2019:1578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en bezwaartermijn bij WAO-uitkering door UWV
De zaak betreft hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam over terugvordering van een te veel betaalde WAO-uitkering door het UWV en de ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant.
Het UWV had op 3 maart 2017 besloten dat appellant een bedrag van €6.739,06 te veel had ontvangen en dit bedrag terug moest betalen. Appellant maakte bezwaar, maar te laat. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit terecht niet-ontvankelijk. Daarnaast betrof een tweede besluit een mededeling dat het bedrag nog betaald moest worden, welke geen besluit in de zin van de Awb is en waartegen geen bezwaar openstaat.
Appellant voerde verwarring door meerdere gelijktijdige brieven en een vermeende toezegging dat hij later alsnog bezwaar kon maken. De rechtbank en de Raad verwierpen dit beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan.
Verder ging het om een besluit over de maandelijkse inhouding van een bedrag op de uitkering. Het verzoek van appellant om kwijtschelding werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder drie jaar betaling. De Raad bevestigde dat de vastgestelde aflossingscapaciteit van €190 per maand passend is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraken en verklaarde de beroepen ongegrond, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken worden bevestigd.