ECLI:NL:CRVB:2020:3172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering ondanks zorg voor ernstig zieke ex-partner
Appellant ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering en verricht vanaf 2014 daarnaast werkzaamheden. Het UWV heeft vastgesteld dat appellant over 2017 een bedrag van €5.003,97 bruto te veel aan WAO-uitkering ontving en dit bedrag teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij zijn ernstig zieke ex-partner verzorgde en daardoor in financiële problemen was gekomen, wat volgens hem een dringende reden vormde om van terugvordering af te zien.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat terugvordering van brutobedragen is toegestaan wanneer het tijdvak fiscaal is afgesloten en dat appellant geen dringende redenen aannemelijk had gemaakt. In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen alleen bestaan bij onaanvaardbare financiële of sociale consequenties die uitzonderlijk en individueel zijn.
Appellant heeft niet overtuigend aangetoond dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor hem heeft. De vrijwillige zorg voor zijn ex-partner en de financiële situatie daarvan vormen geen dringende reden. Het UWV heeft bovendien een betalingsregeling getroffen waarbij rekening is gehouden met de financiële situatie van appellant. De Raad concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De terugvordering van de te veel ontvangen WAO-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende redenen zijn aangetoond om hiervan af te zien.