ECLI:NL:CRVB:2019:1605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en vernietiging intrekking bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag hoofdverblijf
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college van burgemeester en wethouders van Almere trok de bijstand in vanaf 3 maart 2014 wegens het niet langer hebben van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres en vorderde kosten terug. Dit was mede gebaseerd op een onderzoek naar woonfraude, waarbij getuigenverklaringen en waarnemingen werden verzameld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de intrekking over de periode van 3 maart 2014 tot en met 31 augustus 2014 voldoende feitelijk is onderbouwd, maar dat voor de periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015 onvoldoende bewijs bestaat dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
Daarnaast werd vastgesteld dat kasstortingen op de bankrekening van appellant als inkomen moeten worden aangemerkt, omdat appellant hierover de inlichtingenplicht heeft geschonden. De Raad vernietigt het besluit voor het deel van de intrekking over de periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015 en bepaalt dat het college een nieuwe berekening moet maken van de terugvordering. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over 1 september 2014 tot 24 maart 2015 wordt vernietigd en het college moet een nieuwe terugvordering berekenen.