Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1638

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2019
Publicatiedatum
17 mei 2019
Zaaknummer
17/5808 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 2 PWArt. 8:57 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde stortingen en bijschrijvingen

Appellant ontving sinds december 2011 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstand over de periodes augustus 2014 tot en met mei 2015 en juli 2015, en vorderde een bedrag van €12.314,40 bruto terug wegens niet gemelde stortingen en bijschrijvingen die hoger waren dan de bijstandsnorm.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door de ontvangst van leningen en stortingen niet te melden. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij het bijstandsbedrag pint en terugstortte en dat de overige stortingen en leningen aannemelijk waren gemaakt met bankafschriften en verklaringen.

De Raad oordeelde dat de herkomst van de stortingen niet te herleiden was en dat de stortingen boven de bijstandsnorm uitkwamen, waardoor het vermoeden bestond van andere inkomsten. De stortingen werden terecht als inkomen aangemerkt. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde stortingen en bijschrijvingen worden bevestigd.

Uitspraak

17.5808 PW

Datum uitspraak: 7 mei 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
12 juli 2017, 16/6906 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft geen verweerschrift ingediend.
Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Het college heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 1 december 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het college bij besluit van 15 juli 2015, voor zover na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 september 2016 (bestreden besluit), de bijstand over de periodes van 1 augustus 2014 tot en met 31 mei 2015 en van 1 tot en met 31 juli 2015 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 12.314,40 bruto van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit - samengevat en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Door geen melding te maken van de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening in de maanden augustus 2014 tot en met april 2015 en in de maand juli 2015, die in de desbetreffende maanden hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in die maanden (aanvullend) recht op bijstand had. Verder heeft appellant niet gemeld dat hij in de maand mei 2015 gokactiviteiten heeft verricht en is het recht op bijstand in deze maand niet vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:
“8. Eiser heeft zelf verklaard dat hij zijn uitkering pint zodra hij deze ontvangt en terugstort wanneer hij iets moet betalen, aangevuld met een bedrag van [X]. Uit de verklaring van [Y] van 17 mei 2014 volgt dat [X] via [Y] € 5.000,- aan eiser heeft gegeven zodat eiser de partij die goederen zal exporteren voor en naar [X] kan betalen. Uit deze verklaring volgt niet dat eiser dit bedrag mag aanwenden om zijn eigen financiën aan te vullen en zodoende zijn schulden en vaste lasten te betalen. Eiser heeft zelf verklaard dat omdat hij en [X] vrienden zijn, hij het geld van [X] hiervoor mocht gebruiken. Aangezien eiser de stortingen van zijn eigen geld steeds heeft aangevuld met geld van [X], is de herkomst van de verschillende stortingen niet meer te herleiden. Uit de bankafschriften is wel af te leiden dat de stortingen en bijschrijvingen zijn aangewend voor onder andere het betalen van de huur. De stortingen komen echter boven de voor eiser geldende bijstandsnorm uit zodat de stelling van eiser dat hij zijn eigen geld terugstort, onaannemelijk is en het vermoeden rijst dat sprake is van andere inkomsten. Deze stortingen heeft verweerder dan ook terecht als inkomen in aanmerking gebracht.
9. Eiser heeft van de ontvangst van de (geleende) bedragen geen melding gemaakt bij verweerder. Het had hem redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze bedragen van belang konden zijn voor het recht op bijstand. Door de ontvangst van de gestelde leningen niet bij verweerder te melden heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor herziening van de bijstand.
10. Verweerder heeft de uitkering van eiser dan ook terecht herzien en in mindering gebracht op de uitkering in de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden en de te veel uitgekeerde bedragen van eiser teruggevorderd.”
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij steeds na ontvangst van de bijstand het volledige bedrag pinde en dit dan beetje bij beetje terugstortte op zijn bankrekening indien betalingen moesten worden gedaan. Appellant heeft dit aannemelijk gemaakt aan de hand van zijn pin- en betaalgedrag zoals volgt uit zijn bankafschriften en verklaringen. Verder heeft appellant uitvoerig verklaard en nadere stukken overgelegd over de overige stortingen. Ook de leningen heeft appellant aannemelijk gemaakt. Het college en de rechtbank hebben dit ten onrechte onder verwijzing naar algemene jurisprudentie onbesproken gelaten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat wat appellant heeft aangevoerd over de gestelde leningen niet tot een ander oordeel leidt. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden aan bijstandsontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandsontvanger aangemerkt (uitspraken van
22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106). Uit de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank volgt dat appellant vrijelijk kon beschikken over de van [X] ontvangen gelden. Appellant heeft dit in hoger beroep niet betwist.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2019.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) A.M. Pasmans

IJ