Appellante, politieambtenaar sinds 1995, leed aan PTSS door traumatische incidenten tijdens haar dienst tussen 1998 en 2004. Na erkenning van haar ziekte als beroepsziekte en ontslag wegens arbeidsongeschiktheid, verzocht zij de korpschef om schadevergoeding. De korpschef weigerde aansprakelijkheid te erkennen en het verzoek af te wijzen, stellende dat de incidenten inherent waren aan de functie en dat de zorgplicht was nagekomen.
De rechtbank vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, oordelend dat de nazorg voldoende was geboden. In hoger beroep stelde appellante dat de korpschef onvoldoende had aangetoond dat hij zijn zorgplicht had nagekomen, met name dat er geen concrete bewijsstukken waren van opvang of nazorg in de periode 1998-2004.
De Raad concludeert dat de korpschef niet heeft aangetoond dat voldoende nazorg is verleend, mede omdat geen nieuwe gegevens zijn overgelegd en eerdere tussenuitspraak van de rechtbank vaststaat dat de zorg onvoldoende was. De Raad vernietigt daarom de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en beveelt een nieuwe beoordeling door de korpschef, met de mogelijkheid voor appellante om opnieuw beroep in te stellen. Tevens veroordeelt de Raad de korpschef in de proceskosten.