ECLI:NL:CRVB:2019:1697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op ziekengeld na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellante was werkzaam als medewerker wasserij en viel uit wegens nek-, hoofdpijn-, schouder- en armklachten en draaiduizeligheid. Na beëindiging van haar dienstverband is zij ziek uit dienst gegaan en heeft het UWV haar een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.
Een verzekeringsarts van het UWV stelde in augustus 2015 vast dat appellante ongeschikt was voor haar eigen arbeid, maar dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen in andere functies. Het UWV besloot daarom het ziekengeld stop te zetten. Dit besluit werd door appellante aangevochten, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.
Appellante voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat, mede op basis van rapporten van een neurochirurg en fysiotherapeut. De Raad vond echter dat deze stukken geen aanleiding gaven om de eerdere bevindingen te herzien. De arbeidsdeskundigen hadden bovendien gemotiveerd dat de belasting van de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante bleef.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld. Er werd geen aanleiding gezien om de proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld blijft beëindigd.