Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 2011 inkomensvoorzieningen en bijstand. Na een onderzoek van de Sociale Recherche bleek dat zij meerdere kentekens op hun naam hadden en betrokken waren bij frequente tenaamstellingswijzigingen van voertuigen, wat duidt op autohandel. Het college trok daarom de uitkeringen in en vorderde deze terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat niet voor de gehele periode sprake was van doorlopende autohandel. De Raad oordeelde dat voor de periode van april 2011 tot januari 2014 sprake was van doorlopende handel, maar voor de periode daarna niet, omdat in meerdere maanden geen transacties plaatsvonden en kasstortingen laag waren.
De Raad vernietigde daarom het besluit voor de maanden zonder transacties vanaf januari 2014 en bepaalde dat het college een nieuwe terugvordering moest berekenen. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant.