ECLI:NL:CRVB:2019:1709
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij voor meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een herkeuring door het UWV in 2016, waarbij medische rapporten en een arbeidsdeskundig advies werden opgesteld, besloot de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering per 1 februari 2017 in te trekken omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. Zij oordeelde dat het medisch oordeel zorgvuldig was en dat het ontbreken van aanvullende informatie van de huisarts niet tot onzorgvuldigheid leidde. De verzekeringsarts mocht volgens vaste rechtspraak afgaan op zijn eigen oordeel, tenzij sprake was van een behandeling of een beredeneerd afwijkend medisch oordeel, wat hier niet het geval was.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat en dat het onderzoek onvolledig was omdat geen informatie bij haar huisarts was ingewonnen. De Raad volgde dit niet en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De medische grondslag was deugdelijk en de arbeidsdeskundige had voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend waren. De mate van arbeidsongeschiktheid was minder dan 45%, waardoor de intrekking van de nabestaandenuitkering terecht was.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabestaandenuitkering terecht is ingetrokken wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid.