ECLI:NL:CRVB:2019:1723
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek gelijkstelling vervolgingsslachtoffer tweede generatie
Appellante, geboren in 1940 uit een gemengd huwelijk met een Joodse vader, diende in mei 2015 een aanvraag in voor toekenning op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat appellante geen vervolging had ondergaan en haar onderduik niet als vervolging werd beschouwd. Ook werd het gewijzigde beleid sinds 1 januari 2002 gehanteerd, waardoor gelijkstelling op grond van tweede-generatieproblematiek niet meer mogelijk is.
Na eerdere afwijzing en een ongegrond verklaard beroep, verzocht appellante in november 2017 om herziening van de afwijzing. Verweerder wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding zouden geven tot herziening. De Raad toetste dit verzoek terughoudend en stelde vast dat de aangevoerde verklaringen niet op eigen waarneming berusten en geen bevestiging van vervolging opleveren.
De Raad bevestigde het beleid dat sinds 1 januari 2002 geen gelijkstelling meer plaatsvindt op basis van tweede-generatieproblematiek voor personen geboren vóór het einde van de oorlog. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek van appellante wordt ongegrond verklaard en de eerdere afwijzing gehandhaafd.