ECLI:NL:CRVB:2019:1734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit en niet vervulde wachttijd
Appellante, laatstelijk werkzaam als telefoniste/receptioniste, meldde zich ziek in februari 2014 en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling werd het recht op ziekengeld voortgezet. In januari 2016 stelde het UWV dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de Ziektewetuitkering. Tevens werd vastgesteld dat zij de wachttijd voor de WIA-uitkering niet had vervuld.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat haar beperkingen onderschat waren en overhandigde aanvullende medische rapporten. Het UWV handhaafde het besluit op basis van medische en arbeidskundige rapportages, waarbij de Functionele Mogelijkhedenlijst werd aangepast maar de geschiktheid van de geselecteerde functies bleef bestaan.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld en de wachttijd niet heeft vervuld. Hoewel het oorspronkelijke besluit niet deugdelijk gemotiveerd was, is dit gebrek niet benadelend en blijft het besluit in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd omdat appellante ten minste 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en de wachttijd voor de WIA-uitkering niet is vervuld.