ECLI:NL:CRVB:2019:1758
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers
Appellante, geboren in 1943, heeft een aanvraag ingediend voor toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hoewel erkend is dat zij getroffen is door oorlogsgeweld, namelijk directe betrokkenheid bij beschietingen in oktober 1944, is de gevraagde uitkering afgewezen omdat dit oorlogsgeweld niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit.
Appellante stelde in beroep dat ook andere gebeurtenissen als oorlogsgeweld moeten worden aangemerkt en dat er wel sprake is van blijvende invaliditeit. De Raad oordeelde echter dat de huiszoeking en inkwartiering niet onder de Wubo vallen omdat deze niet persoonlijk gericht waren en dat onvoldoende is gebleken van directe betrokkenheid bij de beschietingen.
Medische adviezen van geneeskundige adviseurs stelden dat de psychische klachten vooral samenhangen met het overlijden van haar vader en niet met het oorlogsgeweld, terwijl lichamelijke klachten leeftijdsgebonden zijn. Er was geen aanleiding voor nader medisch onderzoek. Ook het beroep op het Besluit vervallen causaliteit faalde omdat appellante geen blijvende invaliditeit heeft.
De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de periodieke uitkering. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de periodieke uitkering bevestigd.