Appellant, voormalig schoenverkoper, meldde zich ziek in verband met een hartinfarct en ontving vanaf 2009 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage dat varieerde van 41% tot 55%. Na nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek in 2013 werd vastgesteld dat appellant voor 30 tot 32 uur per week belastbaar was in fysiek niet te zware arbeid, wat leidde tot beëindiging van de uitkering per 1 mei 2014.
Appellant voerde aan dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening hield met zijn ernstige psychiatrische klachten en dat de urenbeperking onjuist was vastgesteld. Hij stelde dat de uitkering ten onrechte al per 1 mei 2014 was ingetrokken en niet per 26 mei 2014. De Raad oordeelde dat het Uwv de uitkering terecht had ingetrokken per 1 mei 2014, mede gelet op de juiste toepassing van de uitlooptermijn.
De Raad liet zich bij haar oordeel leiden door het rapport van de door haar ingeschakelde onafhankelijke psychiater Koerselman, die geen aanwijzingen vond voor een psychiatrische stoornis die beperkingen in arbeid zou rechtvaardigen. De door appellant ingebrachte rapporten werden niet overtuigend geacht. De arbeidsdeskundige had voldoende inzicht gegeven in de functiebelasting en de belastbaarheid van appellant, en de gestelde overschrijdingen van de belastbaarheid werden gemotiveerd weerlegd.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de stellingen van appellant over overschrijding van functionele mogelijkheden in diverse functies niet aannemelijk waren. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Ten slotte werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat en het Uwv gezamenlijk een bedrag van € 2.000,- moesten betalen, verdeeld naar rato van hun aandeel in de overschrijding. Tevens werden proceskosten toegekend aan appellant.