Appellant, laatstelijk administratief medewerker, viel uit door vermoeidheids- en psychische klachten, met diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Het UWV stelde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onderschat waren, onderbouwd met neuropsychologisch onderzoek en cardiologisch commentaar.
De Raad benoemde twee deskundigen: een internist en een psychiater. De internist bevestigde de CVS-diagnose, maar vond een urenbeperking van vier uur per dag passend. De psychiater stelde een paniekstoornis met agorafobie en persoonlijkheidsproblemen vast, met beperkingen in werksituatie en samenwerken, maar geen urenbeperking. De Raad gaf doorslag aan het psychiatrisch rapport, dat overtuigend was gemotiveerd en concludeerde dat psychische factoren centraal stonden.
De Raad onderschreef de medische grondslag van het UWV-besluit en oordeelde dat de belastbaarheid van appellant niet werd overschreden in de geselecteerde functies. Het beroep werd afgewezen. Wel werd een schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, die ruim een jaar te lang was. Tevens werden proceskosten van €2.970 toegewezen aan appellant.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling door meerdere deskundigen en benadrukt de noodzaak van een tijdige procedure.