ECLI:NL:CRVB:2019:1824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verhoging Wajong-uitkering wegens hulpbehoevendheid door ontvangen pgb’s
Appellant ontvangt sinds 2005 een Wajong-uitkering en heeft in 2015 twee persoonsgebonden budgetten (pgb’s) toegekend gekregen voor individuele ondersteuning, persoonlijke verzorging en verpleging. Hij verzocht het UWV om verhoging van zijn uitkering wegens hulpbehoevendheid. Een verzekeringsarts concludeerde dat appellant hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en dat geregeld handreikingen door derden noodzakelijk zijn. Omdat appellant via pgb’s al in belangrijke mate wordt voorzien in zijn behoefte aan oppassing en verzorging, wees het UWV de aanvraag af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de uitkering op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel tot 85% van de grondslag zou worden verhoogd, maar dat deze verhoging niet plaatsvindt vanwege de toegekende pgb’s. Appellant stelde in hoger beroep dat hij hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële levensverrichtingen en dat hij daarom recht heeft op een verhoging tot 100% van de grondslag, verminderd tot 85% wegens de pgb’s.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant inderdaad hulp nodig heeft bij sommige, maar niet alle essentiële levensverrichtingen, zoals aankleden, douchen en toiletgang. Uit het rapport blijkt dat appellant zelfstandig woont en voor veel dagelijkse taken een beroep moet doen op derden, maar niet voor alle essentiële levensverrichtingen. Daarom is de uitkering op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel verhoogd tot 85%, maar deze verhoging wordt niet toegekend vanwege de pgb’s. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verhoging van de Wajong-uitkering wordt afgewezen omdat appellant via pgb’s al in belangrijke mate wordt voorzien in zijn behoefte aan verzorging.