ECLI:NL:CRVB:2010:BN0743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.C.P. Venema
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verhoging WAO-uitkering wegens hulpbehoevendheid en oppassing
Appellant, met diverse chronische aandoeningen, verzocht om verhoging van zijn WAO-uitkering op grond van hulpbehoevendheid die geregelde oppassing en verzorging vereist. Het UWV verhoogde de uitkering naar 85% van de grondslag met ingang van 7 maart 2006, later vastgesteld op 13 maart 2005. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij niet voor alle essentiële dagelijkse levensverrichtingen hulp nodig heeft en geen continue oppassing vereist is.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij vrijwel volledig afhankelijk is van verzorging en dat de uitkering eerder had moeten ingaan, mede vanwege een eerdere aanvraag in 2001 en een mondelinge toezegging. De Raad oordeelde dat appellant niet objectief medisch was aangewezen op constant toezicht, maar wel op geregelde handreikingen. Uit medische rapporten bleek dat appellant diverse activiteiten zelfstandig kan verrichten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens het ontbreken van onvoorwaardelijke toezeggingen.
De Raad concludeerde dat appellant niet in aanmerking komt voor een verhoging tot 100%, maar wel voor 85% van de grondslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Verzoek om vergoeding van proceskosten en wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verhoging van de WAO-uitkering tot 85% van de grondslag met ingang van 13 maart 2005 wordt bevestigd.