ECLI:NL:CRVB:2019:1859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum kinderbijslag en terugwerkende kracht bij aanvraag
Betrokkene, woonachtig in Nederland sinds december 2010, heeft kinderbijslag aangevraagd voor haar twee kinderen, geboren in 2009 en 2014. De eerste aanvraag voor het jongste kind werd afgewezen wegens het ontbreken van verzekering voor de AKW. Later werd een aanvraag ingediend voor beide kinderen, waarbij de Sociale verzekeringsbank (Svb) aanvankelijk weigerde kinderbijslag toe te kennen vanwege het ontbreken van een EU-verblijfstitel.
Na advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst werd kinderbijslag toegekend met ingang van het derde kwartaal van 2014. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit deels gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de aanvraag van 23 januari 2015 als herhaalde aanvraag moest worden gezien, wat nader onderzoek vereiste.
De Raad oordeelt dat de aanvraag voor het oudste kind niet als herhaalde aanvraag kan worden aangemerkt, omdat deze niet eerder was beoordeeld. Voor het jongste kind is kinderbijslag toegekend vanaf het eerst mogelijke kwartaal na geboorte. De Raad bevestigt dat geen sprake is van een bijzonder geval dat een terugwerkende kracht van meer dan één jaar rechtvaardigt, ook niet op grond van EU-recht. Het besluit van 10 juli 2017, waarin kinderbijslag voor het oudste kind werd toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2014, kan daarom standhouden.
De Svb wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene, begroot op € 1.024,-. De aangevallen uitspraak wordt voor een deel vernietigd en voor het overige bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de beperkte terugwerkende kracht van kinderbijslag tot één jaar en vernietigt het besluit van 25 november 2015 voor het oudste kind, terwijl het besluit van 10 juli 2017 gehandhaafd blijft.