ECLI:NL:CRVB:2019:1876
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellant, laatstelijk werkzaam als schilder, meldde zich ziek met lichamelijke en stressklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant met inachtneming van beperkingen nog 94,36% van zijn maatmaninkomen kon verdienen in geselecteerde functies. Op basis hiervan beëindigde het UWV de ziekengelduitkering.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de geselecteerde functies passend waren en dat het arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant stelde in hoger beroep dat de functieomschrijvingen onvolledig waren, met name dat nevenwerkzaamheden zoals tillen niet waren meegenomen, en overhandigde informatie van de gemeente ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht was uitgegaan van de juistheid van de gegevens uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en dat de aangeleverde stukken geen aanleiding gaven tot twijfel over de geschiktheid van de functies op de datum in geding. De informatie van de gemeente had betrekking op een latere periode en was daarom niet relevant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij in staat wordt geacht de geselecteerde functies uit te oefenen en meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen.