ECLI:NL:CRVB:2019:1921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WGA-vervolguitkering en weigering IVA-uitkering na zorgvuldige medische toetsing
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, werd aanvankelijk een WGA-vervolguitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%. Na een verzoek tot herbeoordeling stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%, waarna zij bezwaar maakte. Na aanvullend medisch onderzoek door psychiater Van Laarhoven en een aangepaste functionele mogelijkhedenlijst (FML) werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%, waarop het UWV de WGA-vervolguitkering aanpaste.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende was, dat haar beperkingen onderschat waren en dat de functies niet passend waren, verwijzend naar medische verklaringen en het arrest Korošec.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden en dat de inhoudelijke beoordeling van de beperkingen en de passende functies juist was. De Raad wees erop dat latere beoordelingen die leidden tot een IVA-uitkering niet relevant zijn voor de datum in geschil. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van de WGA-vervolguitkering op 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd; de IVA-uitkering wordt geweigerd.