ECLI:NL:CRVB:2019:1928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WW-uitkering wegens niet volledig doorgegeven verloonde uren en aangepaste boete
Appellant ontving een WW-uitkering en werkte vanaf februari 2015 als (oproep-)monteur bij een werkgever. Het UWV herzag de uitkering omdat appellant niet alle gewerkte en doorbetaalde uren had doorgegeven, wat leidde tot een terugvordering van €771,40 en een boete van €192,85 wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het verschil in uren voortkwam uit doorbetaalde vakantie-uren, die niet als niet-gewerkte uren met behoud van loon moesten worden beschouwd, en dat hij zijn informatieplicht niet had geschonden. De Raad oordeelde dat vakantie-uren als arbeidsuren gelden in de zin van de WW, waardoor het recht op uitkering over deze uren eindigde. De Raad stelde vast dat appellant 39 uren te weinig had doorgegeven, minder dan het UWV stelde.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, herzag de WW-uitkering over de periode 26 januari 2015 tot 1 november 2015 met 39 uren, stelde het terug te vorderen bedrag vast op €469,99 inclusief vakantiegeld en verlaagde de boete naar €117,50 vanwege verminderde verwijtbaarheid. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt herzien met 39 uren, het terugvorderingsbedrag vastgesteld op €469,99 en de boete verlaagd tot €117,50.