ECLI:NL:CRVB:2019:1931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- R.B. Kleiss
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en geschiktheid voor arbeid ondanks psychische en verstandelijke beperkingen
Appellante, werkzaam geweest als schoonmaakster en inpakster, vroeg meerdere malen een WIA-uitkering aan wegens psychische klachten en een licht verstandelijke beperking. Het UWV stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en wees de uitkering af. Appellante voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar beperkingen, waaronder een licht verstandelijke handicap en taalbarrière, en verwees naar het arrest Korošec.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en deugdelijke grondslag had. De verzekeringsartsen hadden alle relevante medische informatie betrokken, waaronder rapporten van deskundigen en behandelaars. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren gezien het opleidingsniveau en de belastbaarheid.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van schending van het beginsel van equality of arms, dat de medische beoordeling juist was en dat de licht verstandelijke beperking adequaat was meegewogen. De functies waren passend geacht, mede gezien het opleidingsniveau 2 dat ook buitenlandse basisonderwijs omvat. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en passende functies.