ECLI:NL:CRVB:2019:1950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande vanaf juni 2014. Na een onderzoek door het college, waarbij sociale recherche dossieronderzoek, huisbezoeken en getuigenverklaringen werden verzameld, werd vastgesteld dat appellante en appellant een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode juni 2014 tot juni 2015.
Appellante diende een nieuwe aanvraag in in augustus 2015, die het college afwees omdat geen wijziging in de omstandigheden was aangetoond. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat de verklaring van appellante onbetrouwbaar was vanwege taalproblemen en druk tijdens het verhoor.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante, mede ondersteund door burenverklaringen en persoonlijke bezittingen van appellant op het uitkeringsadres, voldoende feitelijke grondslag bood. De latere ontkenning van de verklaring werd niet geloofd. Ook de getuigenverklaringen van appellanten konden de vastgestelde feiten niet weerleggen. Daarnaast was sprake van wederzijdse zorg, onder meer door financiële ondersteuning en het delen van voorzieningen.
De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd en de nieuwe aanvraag afgewezen.