ECLI:NL:CRVB:2019:199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het college van burgemeester en wethouders van Groningen trok deze bijstand in omdat appellant niet had gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, [A]. Uit onderzoek bleek dat appellant en [A] hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden en wederzijdse zorg droegen, zoals gezamenlijke inboedelverzekering, geldvoorschotten, gezamenlijke was en boodschappen.
Appellant voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat er sprake was van zakelijke huurrelaties en gescheiden huishoudens. De Raad oordeelde echter dat de feiten en omstandigheden, waaronder het ontbreken van een eigen slaapkamer voor [A] en het dagelijks opmaken van zijn bed in de woonkamer, wezen op een gezamenlijke huishouding.
Het college had daarom terecht de bijstand ingetrokken met ingang van 31 juli 2015 en de aanvraag van 18 januari 2016 afgewezen. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag worden bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.