ECLI:NL:CRVB:2019:1994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen inhouding bijstandsuitkering niet-ontvankelijk wegens onduidelijkheid besluit
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft een openstaande vordering vastgesteld en houdt daarom maandelijks een bedrag van € 49,14 in op de bijstandsuitkering van appellant. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, maar voegde geen specifiek besluit bij het bezwaarschrift en omschreef niet duidelijk tegen welk besluit het bezwaar was gericht.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:5 en Pro 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet aan de eisen voor een ontvankelijk bezwaar was voldaan. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij recht heeft op volledige uitbetaling van de bijstand en dat de inhouding onrechtmatig is. De Raad oordeelde dat de brief van het college van 27 januari 2017 en de uitkeringsspecificatie van februari 2017 als besluiten kunnen worden aangemerkt, maar appellant niet duidelijk heeft gemaakt tegen welk besluit hij bezwaar maakt. Het beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de inhouding op de bijstandsuitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht.