ECLI:NL:CRVB:2019:200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- P.W. van Straalen
- J.C.F. Talman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij hoofdverblijf mantelzorger en gehandicapte zoon
Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand en is mantelzorger van haar meerderjarige, meervoudig gehandicapte zoon. Beide hadden hun hoofdverblijf op 1 januari 2015 in een woning aan een adres te Groningen. De moeder van appellante woonde in een naastgelegen woning.
Het college verlaagde de bijstand per 1 juli 2015 vanwege toepassing van de kostendelersnorm, omdat werd aangenomen dat appellante en haar zoon samenwoonden. Appellante stelde echter dat zij sinds 1 juli 2015 feitelijk verbleef in de woning van haar moeder, die toen in het ziekenhuis en later verpleeghuis verbleef.
De Raad oordeelde dat de feiten onvoldoende aannemelijk maken dat appellante haar hoofdverblijf had verplaatst. Zij hield toezicht op haar zoon in de oorspronkelijke woning en sliep daar ook. Het gat in de muur tussen de woningen was pas in december 2015 gerealiseerd, waardoor verplaatsing van het hoofdverblijf eerder niet aannemelijk is.
Ook het beroep op artikel 18 PW Pro om af te wijken van de kostendelersnorm faalde, omdat de wetgever expliciet heeft bepaald dat zorg aan bloedverwanten geen reden is om de norm niet toe te passen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kostendelersnorm terecht is toegepast en het hoofdverblijf van appellante niet eerder was verplaatst.