ECLI:NL:CRVB:2019:2015
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, die sinds 15 februari 1999 arbeidsongeschikt is, ontving vanaf 14 februari 2000 een WAO-uitkering met een loonwaarde vastgesteld tussen 35 en 45%. In augustus 2015 verzocht appellant het UWV terug te komen op dit besluit, stellende dat nieuwe gegevens, waaronder een verklaring van zijn voormalig werkgever en werklijsten, een hogere loonwaarde van 100% rechtvaardigen.
Het UWV wees dit verzoek af omdat de aangevoerde gegevens niet als nieuwe feiten of omstandigheden konden worden aangemerkt; deze hadden eerder ingebracht kunnen worden. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de wachttijd voor de WAO niet correct was vastgesteld en dat er sprake was van doorlopend verzuim na 15 februari 1999.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aangevoerde stukken geen nieuwe feiten bevatten die het eerdere besluit onjuist maken. De Raad bevestigt dat het besluit van 2 maart 2000 rechtens onaantastbaar is geworden en dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het niet terugkomt op het besluit. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het WAO-besluit van 2 maart 2000 wegens ontbreken van nieuwe feiten.