ECLI:NL:CRVB:2019:2033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing Wajong-aanvraag wegens niet-ingezetenschap
Appellante vroeg op 28 september 2016 ondersteuning op grond van de Wet Wajong aan. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij op haar 18e verjaardag niet in Nederland of een EU/EER-land woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de ingezetenschapsvoorwaarde geen ongerechtvaardigd onderscheid vormt.
In hoger beroep betoogde appellante dat deze voorwaarde in strijd is met internationale discriminatieverboden, waaronder artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwees naar vaste rechtspraak waarin de ingezetenschapsvoorwaarde als objectief en redelijk werd beoordeeld.
De Raad benadrukte dat het begrip verzekerde in de Wajong niet afhangt van nationaliteit maar van ingezetenschap, waarbij iedereen buiten Nederland gelijk wordt behandeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de Wajong-aanvraag bevestigd wegens niet-ingezetenschap.