ECLI:NL:CRVB:2019:2033

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2019
Publicatiedatum
25 juni 2019
Zaaknummer
17/5613 WWAJ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Wet WajongArt. 8:57 AwbArt. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing Wajong-aanvraag wegens niet-ingezetenschap

Appellante vroeg op 28 september 2016 ondersteuning op grond van de Wet Wajong aan. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij op haar 18e verjaardag niet in Nederland of een EU/EER-land woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de ingezetenschapsvoorwaarde geen ongerechtvaardigd onderscheid vormt.

In hoger beroep betoogde appellante dat deze voorwaarde in strijd is met internationale discriminatieverboden, waaronder artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwees naar vaste rechtspraak waarin de ingezetenschapsvoorwaarde als objectief en redelijk werd beoordeeld.

De Raad benadrukte dat het begrip verzekerde in de Wajong niet afhangt van nationaliteit maar van ingezetenschap, waarbij iedereen buiten Nederland gelijk wordt behandeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de Wajong-aanvraag bevestigd wegens niet-ingezetenschap.

Uitspraak

17.5613 WWAJ

Datum uitspraak: 13 juni 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2017, 17/1870 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren [in] 1990, heeft op 28 september 2016 een aanvraag ingediend om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Op het aanvraagformulier heeft appellante vermeld dat zij op haar 17e verjaardag in Suriname woonde.
1.2.
Bij besluit van 19 oktober 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij op haar 18e verjaardag niet in Nederland woonde of in een land van de Europese Unie, Europese Economische Ruimte of in Zwitserland. Bij het bestreden besluit van 8 februari 2017 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij appellante niet gevolgd in haar betoog dat de voorwaarde van ingezetenschap een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen mensen die in Nederland wonen en andere Nederlanders die (tijdelijk) niet in Nederland wonen. De rechtbank heeft daarvoor verwezen naar vaste rechtspraak van deze Raad (onder meer de uitspraken van
5 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3057, en 23 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3555). De rechtbank heeft in het geval van appellante geen aanleiding gezien om, in afwijking van de vaste rechtspraak, anders te oordelen.
3. Appellante heeft in hoger beroep niet bestreden dat zij op haar 17e en 18e verjaardag geen ingezetene was van Nederland. Zij heeft haar stelling herhaald dat sprake is een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling naar woonplaats. Dat is volgens appellante in strijd met internationale verdragen en met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Verwezen is naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 15 september 2009, nr. 18176/05, ECLI:CE:ECHR:2009:1208JUD0018176/05 en een uitspraak van deze Raad van 2 mei 2000, ECLI:CRVB:2000:AJ9653.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank wordt ten volle onderschreven. Uit vaste rechtspraak van deze Raad blijkt dat de voorwaarde van ingezetenschap van artikel 1:2 van Pro de Wet Wajong niet in strijd is met discriminatieverboden zoals neergelegd in internationale verdragen, omdat sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond. Voor het begrip verzekerde in de Wajong is niet de nationaliteit van belang maar, voor zover hier van belang, het ingezetenschap. Nederlanders die niet woonachtig zijn in Nederland, kunnen in beginsel niet op grond van ingezetenschap verzekerd zijn voor de Wajong. Daarbij is niet van belang in welk ander land dan Nederland betrokkenen woonachtig zijn. In die zin wordt iedereen woonachtig buiten Nederland gelijk behandeld. Voor de beperking van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen tot in beginsel ingezetenen, bestaat volgens de Hoge Raad (uitspraak van 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9203) een toereikende objectieve rechtvaardiging.
4.2.
Hetgeen appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, slaagt niet. Het door appellante genoemde arrest en de uitspraak van de Raad, genoemd onder overweging 3, zien op een geheel ander feitencomplex en hebben ook geen betrekking op verzekering op grond van ingezetenschap.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) R.L. Rijnen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

NW