Uitspraak
16.6692 ZW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) in de
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam bij twee werkgevers en meldde zich op 13 september 2012 ziek bij zijn tweede werkgever. Na beëindiging van het dienstverband kreeg hij een WW-uitkering die per 31 mei 2013 eindigde. In november 2014 meldde appellant zich opnieuw ziek met psychische klachten.
Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant vanaf 24 december 2014 niet arbeidsongeschikt was op grond van de Ziektewet en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat onvoldoende bewijs bestond dat appellant al vóór 20 november 2014 arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij al sinds 2012 ziek was, onderbouwd met een bedrijfsartsrapport. De Raad volgde het UWV dat de medische gegevens niet overtuigend aantonen dat de hersteldverklaring per 1 november 2012 onterecht was. De Raad oordeelde dat het risico van het tijdsverloop bij een laattijdige aanvraag voor rekening van appellant komt.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat de redelijke termijn met bijna zes maanden was overschreden, waardoor de Staat een immateriële schadevergoeding van €500,- aan appellant moet betalen. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van €512,-.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.