ECLI:NL:CRVB:2019:2092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige beoordeling en toetsing aan Korošec-arrest
Appellante was tandartsassistente en meldde zich ziek met eczeem en psychische klachten. Na een auto-ongeluk in 2014 kreeg zij nek- en rugklachten. Het UWV stelde in 2014 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar WIA-uitkering. Vervolgens ontving zij een WW-uitkering, daarna ziekengeld op grond van de Ziektewet.
In 2016 beoordeelde een verzekeringsarts haar belastbaarheid en stelde vast dat zij geschikt was voor de functie van administratief medewerker. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering. Appellante maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel in 2017.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat zij niet geschikt was voor de functie, mede op basis van een medisch rapport van GGZ. Zij vroeg om onafhankelijke deskundigen en verwees naar het Korošec-arrest van het EHRM. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt te onderbouwen en dat er geen reden was om te twijfelen aan haar geschiktheid voor de functie.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd na zorgvuldig onderzoek en toetsing aan het beginsel van equality of arms.