ECLI:NL:CRVB:2019:21
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording AWBZ-zorg
Appellante ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van €54.084,68 voor AWBZ-zorg. Het zorgkantoor stelde dit bedrag later vast op nihil en vorderde het volledige bedrag terug wegens onvoldoende verantwoording. Na bezwaar werd het pgb vastgesteld op €15.725,59 en de terugvordering verlaagd tot €38.359,09.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante niet voldeed aan administratieve verplichtingen en onvoldoende aannemelijk maakte dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk was verleend en betaald. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad benadrukt dat de bewijslast bij de verzekerde ligt en dat onvoldoende inzicht in de omvang van de begeleiding en betalingen voor rekening en risico van appellante komt.
De Raad oordeelt dat de zorg in de vorm van spelletjes geen begeleiding in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ is. Verder is niet gebleken dat de loonstroken betalingen via de SVB aantonen en zijn bankafschriften onvoldoende specifiek. De belangenafweging leidt niet tot een onevenredige uitkomst. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van €38.359,09 bevestigd.