ECLI:NL:CRVB:2019:2141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand na beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdanen
Appellanten, Poolse gemeenschapsonderdanen, ontvingen vanaf 4 maart 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. De Staatssecretaris stelde bij besluiten van 14 juli 2015 vast dat hun verblijfsrecht van rechtswege was geëindigd, wat bij bezwaar en rechtbank onherroepelijk werd bevestigd.
Het college trok vervolgens per 22 augustus 2016 de bijstand in en vorderde de kosten van bijstand terug over diverse perioden, waaronder tot en met 31 december 2016. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat appellanten niet langer gelijkgesteld konden worden met Nederlanders en dat geen dringende redenen bestonden om bijstand toe te kennen of terugvordering achterwege te laten.
In hoger beroep herhaalde appellanten hun eerdere gronden, maar de Raad volgde de rechtbank en wees het beroep af. De Raad benadrukte dat het college tijdig had gehandeld binnen de zesmaandenjurisprudentie, aangezien het college op 4 november 2016 geïnformeerd was en op 8 februari 2017 tot terugvordering besloot.
De Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de terugvordering van kosten wegens beëindiging verblijfsrecht en wijst het hoger beroep af.