ECLI:NL:CRVB:2019:2203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling Ziektewet-dagloon na WW-uitkering
Appellant werkte tot juli 2014 als huishoudelijke hulp en ontving vanaf augustus 2014 een WW-uitkering met een dagloon van €57,65. Na ziekmelding in maart 2015 kende het UWV een Ziektewet-uitkering toe met een dagloon van €57,90. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, stellende dat dit te laag was vastgesteld en onvoldoende was toegelicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld conform het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en dat het WW-dagloon als uitgangspunt diende. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd hoe het dagloon en de indexering waren berekend.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het dagloon op grond van de Ziektewet moet worden vastgesteld op het WW-dagloon, dat appellant ten tijde van ziekmelding ontving. De Raad stelde vast dat het UWV voldoende had toegelicht hoe het WW-dagloon en de indexering waren berekend en dat appellant geen concrete gronden of bewijs had aangeleverd die het tegendeel aannemelijk maakten.
De Raad corrigeerde het oordeel van de rechtbank dat het WW-dagloon niet meer aan de orde kon komen en stelde dat de hoogte van het ZW-dagloon wel aan de orde kon worden gesteld. Uiteindelijk concludeerde de Raad dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het Ziektewet-dagloon van €57,90 wordt bevestigd.