ECLI:NL:CRVB:2019:2203

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
17/1026 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 7 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juistheid vaststelling Ziektewet-dagloon na WW-uitkering

Appellant werkte tot juli 2014 als huishoudelijke hulp en ontving vanaf augustus 2014 een WW-uitkering met een dagloon van €57,65. Na ziekmelding in maart 2015 kende het UWV een Ziektewet-uitkering toe met een dagloon van €57,90. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, stellende dat dit te laag was vastgesteld en onvoldoende was toegelicht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld conform het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en dat het WW-dagloon als uitgangspunt diende. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd hoe het dagloon en de indexering waren berekend.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het dagloon op grond van de Ziektewet moet worden vastgesteld op het WW-dagloon, dat appellant ten tijde van ziekmelding ontving. De Raad stelde vast dat het UWV voldoende had toegelicht hoe het WW-dagloon en de indexering waren berekend en dat appellant geen concrete gronden of bewijs had aangeleverd die het tegendeel aannemelijk maakten.

De Raad corrigeerde het oordeel van de rechtbank dat het WW-dagloon niet meer aan de orde kon komen en stelde dat de hoogte van het ZW-dagloon wel aan de orde kon worden gesteld. Uiteindelijk concludeerde de Raad dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het Ziektewet-dagloon van €57,90 wordt bevestigd.

Uitspraak

17/1026 ZW
Datum uitspraak: 4 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 januari 2017, 16/1315 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.F.A. Bronneberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben over en weer een nadere zienswijze ingediend.
De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van 23 mei 2019. Appellant is niet verschenen en het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft vanaf 1 juni 2010 tot en met 31 juli 2014 gedurende 26 uur per week gewerkt als huishoudelijke hulp bij de [naam werkgever] en heeft met ingang van 1 augustus 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen, gebaseerd op een dagloon van € 57,65.
1.2.
Op 2 maart 2015 heeft appellant zich ziek gemeld vanuit de situatie dat hij een
WW-uitkering ontving en bij besluit van 26 mei 2015 heeft het Uwv met ingang van
27 mei 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Het ZW-dagloon heeft het Uwv vastgesteld op € 57,90. Bij besluit van 29 januari 2016 heeft het Uwv de
ZW-uitkering met ingang van 24 februari 2016 ongewijzigd voortgezet na een beoordeling door een arts en een arbeidsdeskundige. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, onder andere in verband met de hoogte van het dagloon. Bij beslissing op bezwaar van
5 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het ZW-dagloon overeenkomstig artikel 7 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), zoals dat gold tussen 1 juni 2013 en 1 juli 2015, terecht vastgesteld op het WW-dagloon en het dagloon geïndexeerd. Niet is gebleken dat daarbij gebruik zou zijn gemaakt van een onjuist indexeringspercentage. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het besluit waarbij het WW-dagloon is vastgesteld in deze procedure niet voorligt. Dit besluit staat volgens de rechtbank in rechte vast en dient dan ook als uitgangspunt te worden genomen.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn dagloon te laag is vastgesteld waardoor hij maandelijks een ZW-uitkering ontvangt van ongeveer het sociaal minimum en hij vraagt zich nog steeds af waarop het dagloon is gebaseerd. Op grond van zijn werkzaamheden in het verleden zou dit veel hoger moeten zijn. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd hoe het dagloon tot stand is gekomen en hoe de indexering heeft plaatsgevonden.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft op 3 maart 2017 en op 23 oktober 2018 nader gemotiveerd hoe het dagloon en de indexering tot stand zijn gekomen en verwijst naar de aanvraag van de WW, waaruit volgt op welke wijze en op grond van welke gegevens het WW-dagloon is berekend. Daarnaast heeft het Uwv toegelicht dat appellant naast een ZW-uitkering een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontvangt.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat op grond van artikel 7, eerste lid, van het Dagloonbesluit het ZW-dagloon van de persoon die op de dag van het ontstaan van zijn ziekte op grond van artikel 7 van Pro de ZW als werknemer wordt aangemerkt, wordt vastgesteld op het WW-dagloon. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt als werknemer beschouwd degene die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW uitkering ontvangt. Nu appellant ten tijde van zijn ziekmelding op 2 maart 2015 een WW-uitkering ontving, dient het ZW-dagloon te worden vastgesteld op het WW-dagloon.
4.3.
In geschil is de hoogte van het ZW-dagloon met ingang van 24 februari 2016.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank en het standpunt van het Uwv dat het door het Uwv vastgestelde WW-dagloon in een latere procedure niet meer aan de orde kan komen, is onjuist. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld in de uitspraken van 15 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8531 en 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2295, gaat dit standpunt er aan voorbij dat het aspect dagloon niet als een zelfstandig deelbesluit is aan te merken. Na het besluit van 29 januari 2016, waarbij de ZW-uitkering ongewijzigd is voortgezet, kon appellant daarom de hoogte van het ZW-dagloon aan de orde stellen, dat op grond van artikel 7 van Pro de ZW is vastgesteld op het WW-dagloon.
4.5.
De Raad zal doen wat de rechtbank had behoren te doen en beoordelen of de gronden van appellant tegen het WW-dagloon kunnen slagen. Het Uwv heeft gemotiveerd hoe het
WW-dagloon is berekend en uit de WW-aanvraag volgt van welk sv-loon bij die berekening is uitgegaan. Ook heeft het Uwv de indexering van het WW-dagloon en van het ZW-dagloon voldoende toegelicht. Appellant heeft geen gronden aangevoerd of stukken ingediend waaruit blijkt dat de dagloonberekening en/of de indexering onjuist is. Niet is gebleken dat het Uwv het WW-dagloon onjuist heeft berekend en het ZW-dagloon ten onrechte heeft vastgesteld op € 57,90.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van gronden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2019.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.I. Heijkoop
md