ECLI:NL:CRVB:2019:2217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herhaalde aanvraag nabestaandenuitkering op grond van de ANW na overlijden vader
Appellante, moeder van twee kinderen, had na het overlijden van de vader van haar kinderen een nabestaandenuitkering aangevraagd die werd geweigerd omdat zij niet met de vader samenwoonde op het moment van diens overlijden. Na een tweede aanvraag en bezwaar handhaafde de Sociale verzekeringsbank (Svb) het besluit, waarna appellante in beroep ging bij de rechtbank en vervolgens in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat de Svb terecht niet terugkwam op het eerdere besluit voor het verleden, maar dat zij ten onrechte appellante niet als nabestaande voor de toekomst had aangemerkt. Uit diverse verklaringen en bewijsstukken bleek dat appellante en de vader ten tijde van zijn overlijden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, ondanks eerdere tegenstrijdige opgaven.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en droeg de Svb op een nieuwe beslissing te nemen waarbij appellante vanaf april 2016 in aanmerking wordt gebracht voor een nabestaandenuitkering. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Appellante wordt vanaf april 2016 in aanmerking gebracht voor een nabestaandenuitkering op grond van de ANW.