ECLI:NL:CRVB:2017:2429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nabestaandenuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellant had sinds mei 2001 een kamer gehuurd bij de overledene T en vroeg na diens overlijden een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan het zorgcriterium van een gezamenlijke huishouding op het moment van overlijden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat er wel sprake was van een gezamenlijke huishouding, onder meer vanwege financiële verstrengeling, gezamenlijke bankrekening, inboedelverzekering, volmacht en het feit dat hij T verzorgde en de begrafenis betaalde. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende duidelijkheid had gegeven over zijn woon- en leefsituatie en dat hij zich eerder als alleenstaande had gepresenteerd.
De Raad concludeerde dat er geen bewijs was van een verdergaande financiële verstrengeling dan het delen van woonlasten. Ook andere feiten en omstandigheden wezen niet op wederzijdse zorg. Het niet retourneren van een formulier 'Onderzoek gezamenlijk huishouden' door appellant werd niet geaccepteerd als excuus. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Appellant wordt niet erkend als nabestaande en de aanvraag nabestaandenuitkering wordt afgewezen.