ECLI:NL:CRVB:2019:2269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ANW-uitkering na verbreking gezamenlijke huishouding en samenwoning
Appellant ontving sinds 1991 een weduwenpensioen dat in 1996 werd omgezet in een ANW-uitkering. Op grond van het overgangsrecht had hij recht op een uitkering van 30% van het minimumloon zolang hij een gezamenlijke huishouding voerde met dezelfde partner als op 1 januari 1998.
Na beëindiging van de gezamenlijke huishouding met zijn eerste partner op 9 maart 2009, meldde appellant dit telefonisch aan de Sociale verzekeringsbank (Svb), maar gaf niet door dat hij per die datum een nieuwe gezamenlijke huishouding was aangegaan. De Svb beëindigde daarom de ANW-uitkering met ingang van 1 april 2009.
Appellant voerde aan dat hij de nieuwe samenwoning wel had gemeld en dat de Svb had moeten onderzoeken of hij samenwoonde. De Raad oordeelde dat appellant niet aan zijn meldingsplicht had voldaan en dat de Svb het beleid consistent had toegepast. De Svb had geen aanleiding tot nader onderzoek en de herziening van de uitkering was terecht.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ANW-uitkering per 1 april 2009 wegens het aangaan van een nieuwe gezamenlijke huishouding.