Uitspraak
17.2934 ZW
OVERWEGINGEN
.Haar dienstverband is op 6 mei 2015 geëindigd. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als huishoudelijke hulp en meldde zich ziek met lichamelijke klachten, waarna haar dienstverband eindigde. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze na een eerstejaarsbeoordeling op grond van het oordeel dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hun beperkingen en mogelijkheden hadden vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische klachten en fysieke beperkingen onderschat waren, met name haar paniekstoornis met agorafobie en trillende handen. Het UWV onderbouwde het besluit met aanvullende medische en arbeidskundige rapporten. De Raad oordeelde dat de aanvullende beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hielden met haar klachten en dat de geselecteerde functies passend waren.
Hoewel het bestreden besluit op het eerste gezicht ondeugdelijk gemotiveerd was, achtte de Raad aannemelijk dat appellante hierdoor niet benadeeld was en dat het besluit met gelijke uitkomst gehandhaafd kon blijven. Het hoger beroep werd daarom afgewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en diende de griffierechten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering blijft in stand.