ECLI:NL:CRVB:2019:2298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Besluit over recht op bijstand bij verblijf van echtgenoot in buitenland
Appellanten ontvingen vanaf januari 2010 bijstand als gehuwden. Na een heronderzoek bleek dat appellant sinds september 2013 in Spanje was gedetineerd, waarna het college het recht op bijstand opschortte en later introk wegens niet-melding van het vertrek naar het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigde dit en oordeelde dat het verblijf van appellant in het buitenland niet automatisch tot intrekking van de bijstand aan appellante leidde. De Raad stelde dat appellante als in Nederland verblijvende echtgenote onder bepaalde voorwaarden recht kan hebben op bijstand als alleenstaande.
Het college vroeg nadere informatie over het verblijf en inkomen van appellant om het recht op bijstand van appellante te beoordelen, maar appellanten verstrekten deze niet. Het college handhaafde daarom het besluit tot intrekking van de bijstand over de te beoordelen periode.
De Raad oordeelt dat zonder de gevraagde informatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van bijstand wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende informatie over het recht op bijstand van appellante.