Uitspraak
17 februari 2016, 15/2632 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen sinds januari 2010 bijstand naar de norm voor gehuwden. Na een heronderzoek vroeg het college om documenten, waarop appellanten niet reageerden. Appellant verbleef sinds september 2013 gedetineerd in Spanje. Het college schortte de bijstand op en keerde bijstand toe aan appellante als alleenstaande vanaf juli 2014.
Het college herzag en trok de bijstand naar de norm voor gehuwden met terugwerkende kracht in vanaf september 2013 en vorderde €14.864,37 terug, omdat appellant niet gemeld zou zijn vertrokken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellanten stelden dat zij geen inlichtingenplicht schonden en dat bijstand als alleenstaande aan appellante had moeten worden toegekend.
De Raad oordeelt dat appellanten gehuwd bleven en geen duurzame scheiding hadden, zodat zij als gezamenlijk subject gelden. Het verblijf van appellant in het buitenland betekent niet dat de bijstand naar de norm voor gehuwden onterecht was toegekend. Het college baseerde het besluit op een onjuiste grondslag, waardoor het besluit en de terugvordering vernietigd worden.
De Raad draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak en stelt dat tegen die beslissing alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen.