ECLI:NL:CRVB:2019:2312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen
Appellant ontvangt sinds 2012 bijstand en werd in het kader van een heronderzoek gevraagd bankafschriften te overleggen. Het college schortte de bijstand op vanwege het niet aanleveren van volledige informatie. Vervolgens herzag het college de bijstand en vorderde een bedrag van ruim €3.100 terug, omdat kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen werden aangemerkt.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat de stortingen en bijschrijvingen niet als inkomen moesten worden gezien, omdat het contante geld afkomstig was van eigen opnames en leningen aan vrienden. Ook stelde hij dat het college onzorgvuldig had gehandeld door op dezelfde dag een nieuw besluit te nemen en te beslissen zonder hem te horen.
De Raad oordeelde dat het college terecht van het hoorrecht kon afzien omdat appellant niet binnen de gestelde termijn had gereageerd. De stortingen en bijschrijvingen konden niet worden toegerekend aan eerder opgenomen bedragen, noch aannemelijk gemaakt dat ze een specifieke bestemming hadden. Daarom waren deze terecht als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de bijstand. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en verklaart het hoger beroep ongegrond.