ECLI:NL:CRVB:2018:530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aanvraag bijstand ten onrechte buiten behandeling gesteld door college Almere
Appellanten dienden op 23 december 2014 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van Almere stelde de aanvraag op 11 februari 2015 buiten behandeling omdat niet alle gevraagde bewijsstukken tijdig waren ingeleverd. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door de rechtbank Midden-Nederland.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het college appellanten niet voldoende schriftelijk had gewaarschuwd voor de consequenties van het niet tijdig aanleveren van de gevraagde stukken, zoals vereist op grond van artikel 4:5 Awb Pro en het zorgvuldigheidsbeginsel. De enkele verklaring van de consulent dat dit telefonisch zou zijn gebeurd, werd onvoldoende geacht.
De Raad vernietigde het besluit tot buitenbehandelingstelling en de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Vervolgens oordeelde de Raad dat appellanten onvoldoende controleerbare en verifieerbare gegevens hadden overgelegd om de herkomst van contante stortingen op hun bankrekening aannemelijk te maken. Daarom wees de Raad de aanvraag inhoudelijk af. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot buitenbehandelingstelling wordt vernietigd en de aanvraag bijstand wordt inhoudelijk afgewezen.