ECLI:NL:CRVB:2019:2334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde tijdvakken van kind van EEG-ambtenaar
Appellante, geboren in 1950 en vanaf 1959 woonachtig in Brussel vanwege het werk van haar vader als EEG-ambtenaar, ontving een AOW-pensioen dat met 14% werd gekort wegens niet-verzekerde tijdvakken tussen 1965 en 1972. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verklaarde haar bezwaar tegen deze korting ongegrond. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellante terecht niet verzekerd was in die periode en dat er geen sprake was van discriminatie ten opzichte van kinderen van Nederlandse diplomaten die wel verzekerd blijven.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij onterecht werd uitgesloten van AOW-verzekering en dat haar situatie vergelijkbaar is met die van kinderen van diplomaten, waardoor sprake zou zijn van ongerechtvaardigde discriminatie. Tevens stelde zij dat de Nederlandse Staat zijn zorgplicht had geschonden door haar niet te informeren over de gevolgen van haar verblijf in het buitenland.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 6 AOW Pro en de relevante besluiten appellante niet verzekerd was in de betreffende periode. De situatie van appellante is niet vergelijkbaar met die van kinderen van diplomaten, omdat haar vader niet als diplomaat maar als ambtenaar van een supranationale organisatie werkte. De Raad verwierp het discriminatieverweer en het beroep op de zorgplicht. Tevens wees de Raad op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering voor de onverzekerde jaren.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op het AOW-pensioen wegens niet-verzekerde tijdvakken en verklaart het hoger beroep ongegrond.