ECLI:NL:CRVB:2019:2343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep op vertrouwensbeginsel bij WW-uitkering wegens niet voldoen aan 4-uit-5 eis
Appellant vroeg een WW-uitkering aan die aanvankelijk werd toegekend met een maximale duur van 28 maanden. Later stelde het UWV vast dat appellant ziek was en verviel het besluit van 13 april 2016. Een nieuw besluit kende een Ziektewet-uitkering toe en later een WW-uitkering van drie maanden.
Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte duur van de WW-uitkering en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat het UWV hem onterecht geen recht gaf op de langere duur van 28 maanden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het eerdere besluit was vervallen en het UWV niet had toegezegd dat de langere duur gegarandeerd was.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat het beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slaagt bij uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen. Daarnaast bleek uit de oorspronkelijke aanvraag dat appellant niet voldeed aan de 4-uit-5 eis, waardoor de maximale duur slechts drie maanden was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen en de beperkte duur van de WW-uitkering blijft gehandhaafd.