ECLI:NL:CRVB:2016:1344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op WW-uitkering na verblijf in het buitenland en toepassing vertrouwensbeginsel
Betrokkene was sinds 2002 werkzaam bij een werkgever en haar arbeidsovereenkomst eindigde op 31 juli 2013. Zij vroeg op 13 juli 2013 een WW-uitkering aan. De uitkering werd geweigerd tot 31 augustus 2013 omdat de arbeidsovereenkomst voor het einde van de opzegtermijn was beëindigd. Betrokkene vertrok eind augustus 2013 naar het buitenland voor een opleiding en gaf dit via een wijzigingsformulier door aan het UWV.
Het UWV beëindigde de WW-uitkering omdat betrokkene op de eerste werkloosheidsdag (2 september 2013) in het buitenland verbleef, wat een uitsluitingsgrond is volgens de WW. Bij terugkeer in Nederland vroeg betrokkene opnieuw een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend met ingang van 19 december 2013. Later stelde het UWV echter vast dat betrokkene niet voldeed aan de wekeneis en beëindigde de uitkering per 15 september 2014.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de voortzetting van de WW-uitkering vanwege toezeggingen van het UWV, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad stelt dat betrokkene zelf had aangegeven in september te vertrekken en dat het eerdere vertrek eind augustus voor haar eigen risico was. Er zijn geen ondubbelzinnige toezeggingen gedaan die het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.