ECLI:NL:CRVB:2019:2406
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om toekenning voorzieningen op grond van de Wubo wegens ontbreken blijvende invaliditeit
Appellant heeft sinds 1996 meerdere verzoeken ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Aanvankelijk werden deze verzoeken afgewezen omdat onvoldoende bevestigingsgegevens waren of omdat het oorlogsgeweld niet had geleid tot blijvende invaliditeit. In 2017 werden wel voorzieningen toegekend voor psychische klachten die verband hielden met het oorlogsgeweld, maar verdere voorzieningen en een periodieke uitkering werden geweigerd.
Appellant verzocht in 2017 om herziening van eerdere afwijzingen, maar dit werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische gegevens had overgelegd waaruit bleek dat zijn lichamelijke klachten verband hielden met het oorlogsgeweld. Ook was niet gebleken dat appellant zijn werk als sportinstructeur had moeten beëindigen door zijn psychische invaliditeit.
De Raad bevestigde dat de discretionaire bevoegdheid tot herziening terughoudend wordt getoetst en dat het beleid van verweerder om geen terugwerkende kracht toe te kennen zonder ambtelijke fout rechtmatig is. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van toekenningen op grond van de Wubo wordt ongegrond verklaard.