ECLI:NL:CRVB:2018:1133
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum Wubo-verstrekkingen en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, geboren in 1937, diende meerdere aanvragen in op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). In 2009 werd vastgesteld dat zijn psychische klachten verband hielden met oorlogsgeweld, maar toekenning van uitkeringen werd afgewezen vanwege het ontbreken van blijvende invaliditeit. In 2013 diende appellant een nieuwe aanvraag in, waarop in 2015 een gedeeltelijke toekenning volgde, onder meer voor één dagdeel huishoudelijke hulp.
Appellant stelde dat de ingangsdatum van de verstrekkingen eerder had moeten zijn en dat hij recht had op meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp. De Raad oordeelde dat verweerder terecht geen terugwerkende kracht verleende omdat er geen nieuwe feiten waren die daartoe aanleiding gaven en dat de medische beoordeling uit 2009 betrouwbaar was. Tevens was er geen aanleiding voor toekenning van meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp.
Verder werd een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke procedure behandeld. De Raad concludeerde dat door uitstelverzoeken van appellant een deel van de vertraging aan hem toerekenbaar was, maar dat de totale procedure toch langer dan toegestaan duurde. Daarom werd verweerder veroordeeld tot een schadevergoeding van €500. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.