ECLI:NL:CRVB:2019:2423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening besluit terugvordering persoonsgebonden budget
Appellant had een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen voor de periode van 27 juni 2013 tot en met 31 december 2013. Het zorgkantoor stelde het pgb later vast op een lager bedrag en vorderde een deel terug. Appellant diende bezwaar in, dat niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. Vervolgens verzocht appellant om herziening van het terugvorderingsbesluit, wat door het zorgkantoor werd afgewezen omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor terecht het verzoek tot herziening had afgewezen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij vanwege zijn verstandelijke handicap niet verantwoordelijk kon worden gehouden en dat het zorgkantoor had moeten controleren of zijn vader, als beheerder van het pgb, die verantwoordelijkheid kon dragen. Ook voerde appellant aan dat de terugvordering evident onredelijk was omdat betaling niet mogelijk was zonder dat dit ten koste ging van andere cliënten.
De Raad toetste of het zorgkantoor zich terecht op het standpunt had gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren. De Raad oordeelde dat de stukken die appellant had ingediend al eerder overlegd hadden kunnen worden en dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording van het pgb bij de verzekerde ligt, ook als beheer is overgedragen aan een derde. Daarnaast was het niet aannemelijk dat het handhaven van het besluit evident onredelijk was. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het besluit tot terugvordering van het persoonsgebonden budget wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.