ECLI:NL:CRVB:2019:2444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als medewerkster customer support, meldde zich ziek wegens psychische klachten en bijkomende aandoeningen. Een verzekeringsarts stelde vast dat zij niet geschikt was voor haar laatste werk, maar met beperkingen nog 81,7% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen juist waren vastgesteld en de geselecteerde functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat het UWV haar vermoeidheidsklachten ten onrechte niet had geobjectiveerd. Tevens stelde zij schending van het beginsel van equality of arms.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt te onderbouwen en dat geen sprake was van schending van equality of arms. De Raad volgde het UWV in de beoordeling van de beperkingen en de geschiktheid van de functies en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.