ECLI:NL:CRVB:2019:2482
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen per 13 juli 2015
Appellante had aanvankelijk recht op een loongerelateerde WGA-uitkering tot 11 april 2014, maar het UWV stelde vast dat zij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor het recht op WIA-uitkering verviel.
Op 12 augustus 2015 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid per 13 juli 2015, wat werd opgevat als een aanvraag voor hernieuwde WIA-uitkering. Het UWV besloot echter op 21 september 2015 dat er geen recht op uitkering ontstond omdat haar arbeidsmogelijkheden niet waren verminderd. Dit besluit werd bij bezwaar op 15 februari 2016 gehandhaafd.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en haar stellingen over ernstiger beperkingen niet met medische stukken waren onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze beoordeling en benadrukt dat zonder toename van medische beperkingen geen arbeidskundige beoordeling aan de orde is.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen in dagelijkse activiteiten onvoldoende waren meegewogen, maar dit werd verworpen omdat zij dit niet met medische stukken ondersteunde. De Raad concludeert dat het medisch onderzoek volledig en overtuigend was en dat het hoger beroep faalt. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen.