ECLI:NL:CRVB:2019:2484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering met aangepaste FML
Appellante was sinds 2007 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering met een initiële mate van arbeidsongeschiktheid tussen 45 en 55%. Na een melding van verslechtering van haar gezondheid en aanvullend medisch onderzoek, stelde het UWV de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) bij, maar appellante betwistte dat onvoldoende rekening werd gehouden met haar migraine en lichamelijke klachten.
De Raad schakelde een deskundige in die concludeerde dat appellante meer beperkingen heeft dan in de FML waren opgenomen, met een maximale werkcapaciteit van zestien tot twintig uur per week, waarbij de uren niet vooraf te plannen zijn. Op basis hiervan werd de FML aangepast en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 73,48%. Het UWV handhaafde dit besluit, maar appellante vond dat haar klachten nog onvoldoende waren meegenomen.
De Raad oordeelde dat het aangepaste besluit voldoende rekening houdt met de beperkingen, dat het verzuimrisico acceptabel is en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het eerdere besluit werd vernietigd, het latere besluit bleef in stand, en het beroep daarop werd ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 24 mei 2018 wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.