De zaak betreft het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt tegen het UWV over de beëindiging van een WIA-uitkering van een werkneemster. Het UWV had vastgesteld dat de werkneemster per 31 december 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de uitkering stopgezet. Het college was het hier niet mee eens en stelde bezwaar en beroep in.
De rechtbank had het UWV-besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Tevens wees de rechtbank het verzoek van het college om schadevergoeding af, omdat het college als eigenrisicodrager verantwoordelijk was voor de re-integratie en niet tijdig een herbeoordeling had aangevraagd.
In hoger beroep betoogde het college dat het UWV onrechtmatig had gehandeld en dat de schadevergoeding en bezwaarkosten terecht moesten worden toegekend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met eerdere uitspraken waarin het UWV aansprakelijk werd gesteld. Het college was zelf verantwoordelijk voor de re-integratie en had niet eerder om herbeoordeling verzocht. Ook de vergoeding van bezwaarkosten kon niet worden toegekend omdat het primaire besluit niet was gewijzigd in het beoogde rechtsgevolg.
Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.